Verhaal – KWAAK! KWAAK! KWAAK!

Iedereen praat tegen God op zijn of haar manier.

Aan het eind van een bijzonder zware dag vroeg koning Saul altijd aan zijn favoriete muzikant, David, om harp voor hem te spelen. De prachtige muziek van David maakte hem altijd helemaal rustig.

Op een ochtend werd Koning Saul wakker van een prachtig loflied dat David voor God aan het zingen was. Toen hij de mooie woorden hoorde, kreeg de koning een idee. Hij riep al zijn bedienden bij zich en zei: “Een koning moet zijn onderdanen gelukkig maken. Dus vertel aan iedereen dat er vanavond een speciaal concert wordt gegeven in de koninklijke tuinen, met een speciale gastzanger.”

Die avond waren de koninklijke tuinen zo vol met mensen dat velen moesten blijven staan. Sommigen klommen in de koninklijke bomen in de hoop een glimp op te vangen van de geheimzinnige zanger. De koning zelf vertelde aan iedereen hoe verrast hij was dat er zoveel mensen op kwamen dagen. “Velen van jullie hebben waarschijnlijk de jonge David nog nooit op de harp horen spelen, maar zijn lofliederen voor God zijn zo prachtig dat ik wil dat alle mensen ze horen.” David speelde op de harp en zong zijn liederen voor God. Aan het eind van het concert stonden de mensen op, applaudisseerden luid en vroegen om meer. De koning pakte de hand van David en tilde die hoog op. Iedereen juichte en joelde van vreugde.

Nadat de gasten waren weggegaan, bleef David met een paar vrienden in de tuin achter om nog een paar van zijn favoriete melodieën te spelen. Ineens werd de muziek van David onderbroken door een luid:
“KWAAK, KWAAK, KWAAK.” “Wat is dat voor afschuwelijk lawaai?” vroeg David. Iedereen keek rond maar niemand kon horen waar het lawaai vandaan kwam. Toen David opnieuw begon te spelen werd zijn lied opnieuw onderbroken door het harde gekwaak. David was behoorlijk kwaad. Kon het zijn dat iemand een grap met hem uithaalde?

“We moeten er achter zien te komen wat of wie dat vreselijke lawaai maakt”, zei hij tegen zijn vrienden. Allemaal begonnen ze te zoeken in de tuin. “Ik heb de herriemaker gevonden!” riep Jonathan, de zoon van de koning. Iedereen rende naar Jonathan toe, die aan de rand van de vijver stond. De kikker was blij dat hij publiek had en zong heel tevreden: “KWAAK, KWAA-AAK!” “Houd eens op met dat vreselijke lawaai”, beval David de kikker. “Je stoort me bij het zingen van mijn lofliederen voor God.” David was er zeker van dat de kikker weer in de vijver zou springen en wegzwemmen. Maar tot zijn grote verbazing sprong de kikker op een grote rots die vlak naast hem lag. “KWAAK, KWAAK, KWAAK,!” zong de kikker. “Nu houd je dadelijk op met dat vreselijke gekwaak!” schreeuwde David weer. “Zie je niet dat je mijn prachtige loflieden voor God verpest?” De kikker keek op naar David en schraapte zijn keel.

“KWAAK, heer”, zei de kikker, “mijn KWAAKen, kan dan wel afschuwelijk klinken in jouw oren, maar ik weet zeker dat God mijn KWAAK-lofliederen net zo mooi vindt als de jouwe. Tenslotte heb jij jouw manier van zingen, en ik de mijne.” David was geschokt. Maar toen realiseerde hij zich dat de kikker gelijk had. En hij begon te lachen. Hij boog zich over naar de vijver en zette de kikker voorzichtig op zijn palm, terwijl hij hem over de rug aaide. Hij draaide zich om naar zijn vrienden en zei: “Ik heb vandaag een belangrijke les geleerd; eentje die ik nooit zal vergeten. De kikker heeft gelijk. Ieder mens en ieder wezen heeft een eigen manier om God te prijzen, en God houdt van al hun liederen.” Met een laatste: “KWAAK!” sprong de kikker van Davids hand af, en terug in de vijver. Om eens over na te denken: 1. Zou David de kikker ook op een andere manier kunnen aanspreken? Hoe? 2. Waarom is het belangrijk om andere mensen met respect te benaderen? 3. Hoe kun je respect tonen aan je ouders en leraren?